Stel je voor: je loopt op een hoogte van meer dan 4.500 meter over een smal rotspad met alleen je dagrugzakje. Je trekt door de machtigste bergketen op aarde, over kale, soms rood, soms groen of zwart gekleurde passen van meer dan 5.000 meter, soms door de sneeuw of over het eeuwenoude gletscherijs. Af en toe doorbreekt een groene wuivende vlek de ruigte met kabbelend water, kom je kleurige vlaggetjes met gebeden tegen, of witte stupa’s en gebedsmuren van mooie afgeronde keien. Dan weet je dat er een dorp of een klooster zal verschijnen. De vierkante, witbepleisterde huizen staan temidden van smalle, snelstromende kanaaltjes die de kleine ovale velden bevloeien. Of ze zijn met tientallen tegen een onherbergzame, meedogenloos kale rots geplakt. Je overnacht in een miljoen-sterrenhotel: een tentje onder de mooist denkbare sterrenhemel.

