Klik hier en lees verder

Een ooggetuigeverslag van Rikkert Stuve

Daar gaat ze dan. Een jonge vrouw met een kind aan haar rechterhand en een gloednieuwe wollen deken onder haar linkerarm. Zij is het eindpunt van wat begon met het inzamelen van 9281 euro door de Stichting Danja in Nederland. Zij is een vrouw uit Hanu Thang, een dorp zo hoog in Ladakh dat het vlakbij Pakistan ligt maar aanvoelt alsof we bijna aan het randje van de wereld beland zijn. Zij en haar gezin is een van twintig gezinnen in dit dorp die afgelopen augustus getroffen zijn door overstromingen en aardverschuivingen. Wat haar precies is overkomen weet ik niet; misschien is haar huis er niet meer; misschien zijn haar familieleden dood of gewond; zij heeft haar verhaal niet aan ons verteld. De tijd voor het vertellen van verhalen is nu ook wel voorbij. We zijn inmiddels twee maanden verder. Maar het was haar naam die stond op een lijst van getroffenen. Daarom heeft zij die deken gekregen. Van jullie. Van ons.

Twintig van die dekens zijn even daarvoor van een vrachtwagen afgeladen, net als 20 snelkookpannen, 20 zakken melkpoeder, bloem en rijst, en 20 flessen olie. Op die vrachtwagen zat in totaal 9700 kilo aan hulpgoederen, genoeg om 250 getroffen gezinnen iets te bieden om de aanstaande winter het hoofd te kunnen bieden.

Het weer is heerlijk nu, maar de nachten zijn frisjes, hier en daar staat een verdwaalde herfstboom en de winter staat volgende maand voor de deur. Ik kan me geen voorstelling maken van hoe dat moet zijn, die barre winters hier, maar ik hoop dat die deken warmte, bescherming, beschutting zal bieden aan die vrouw en haar kind. Ik hoop dat het voor haar echt wat uitmaakt. Het ga je goed, moeder en kind, sla je er door heen, leef en wees gelukkig in dit verlaten oord. Juley juley.

Die vrachtwagen is hier helemaal naar toe gereden door chauffeur Mohammed vanuit de stad Jammu. Jammu was het logistieke centrum van alle voorbereidingen voor deze hulpactie en ligt helemaal links onderin de deelstaat Jammu & Kashmir. Hier woont Virender Prakash, de initiatiefnemer van de hulpactie. Het ingezamelde geld vloog naar een bank in deze stad. Hier is het hele actieteam bijeengekomen: Razak uit zijn dorp bij Srinagar; Govinda uit zijn dorp bij Manali en Rikkert uit zijn dorp in Nederland. Ik ben hier gearriveerd vanuit Delhi in een kleine slaapcabine op een hele lange trein die zich dwars door de nacht omhoog heeft gekronkeld naar Jammu. En hier zijn ook Mohammed en zijn vrachtwagen ingehuurd en zijn alle hulpgoederen ingekocht bij lokale winkels.

Op de dag van mijn aankomst in deze stad en mijn hereniging met Virender, Razak en Govinda moesten al die winkeliers betaald worden voor wat er bij hen was ingekocht. Stel je het volgende voor. De Nederlandse euro’s waren elektronisch naar Jammu gevlogen en waren inmiddels roepies geworden. Twee euro is in India een bankbiljet van honderd roepies. Negenduizend euro zijn 4500 bankbiljetten van 100 roepies. Alle donaties waren omgetoverd in enorme stapels Indiaas geld. Maffia-achtige hoeveelheden geld.

Dat geld ging in een plastic tas en toen in een boodschappentas. Razak, Govinda en Manu, onze tuktuk chauffeur in Jammu, hebben alle drie een grote zwarte snor. Virender was incognito met een zonnebril. Ik was de langste, blondste en blankste man die er in Jammu te vinden was: er was geen enkele andere westerling meer in deze stad vanwege de onlusten in Kashmir. Met z’n vijven wurmden we ons in Manu’s tuktuk en daar ging het heen. Naar de dekenwinkel, de snelkookpannenwinkel, de rijstwinkel. Overal verdween er een stapel geld uit die plastic tas tot die leeg was en al die Indiase roepies waren omgezet in 9700 kilo hulpgoederen. Nog diezelfde dag werden die op Mohammeds vrachtwagen geladen die diezelfde nacht nog op weg ging naar Ladakh. Wij volgden twee dagen later met een personenauto.

Op mijn kaart van India loopt er maar één weg door heel Jammu & Kashmir: die gaat van Jammu naar boven, naar Srinagar, de hoofdstad van Kashmir, en van daar naar rechts, naar Leh, de hoofdstad van Ladakh. In Srinagar en het gebied eromheen zijn deze zomer zo’n honderd doden gevallen in schermutselingen tussen separatistische moslims en Indiase veiligheidstroepen. De sfeer is verhit, scholen zijn dicht en vluchten opgeschort, er zijn straatprotesten, er wordt met stenen gegooid, er is een uitgaansverbod. In Srinagar is het niet pluis. Toch moeten wij er met onze auto langs op, de vrachtwagen achterna. Rond de stad moeten we langs een stuk of vier paramilitaire controleposten met prikkeldraad op de weg. Dat gaat gepaard met een paar listen. ‘Ga jij maar voorin zitten, Rikkert, en gedraag je als onze Very Special Guest.’ Dan rijden we langs Dal Lake, gaan de Sozila pas over, verlaten de Kashmir Vallei en belanden in Ladakh.

KHALTSE. Een gat ergens langs die ene weg tussen Srinagar en Leh. Hier gaat het allemaal gebeuren. Hier treffen vrachtwagen en team elkaar weer. Van hieruit gaan we in één dag alle hulpgoederen uitdelen in getroffen dorpen. Die dag is woensdag 29 september.

Vanuit Khaltse vertrekken we die dag heel vroeg in konvooi naar het noorden, langs de rivier de Indus. Voorwaarts, hoge berghellingen links en rechts, de brede rivier helemaal beneden en ons konvooi kruipend op een slingerende draad daar tussenin. Naarmate we verder komen wordt het steeds hoger, steniger, ruiger, wilder, afgelegener en desolater. Wonen er nog mensen hier? Ja, die wonen hier en ze hebben nog geen enkele hulporganisatie gezien. Het is een stoer en hard landschap. Alles bestaat uit stenen: de berghellingen, de rivierbedding, de gebedstafels, de huizen, de puinhopen. Het is maar een klein wezenlijk verschil tussen het een en het ander. Want die stoere bergen zijn ook kwetsbaar. Er is maar een goede regenbui voor nodig en alles herschikt zich: helling wordt bedding, boven wordt beneden, staand wordt liggend. Dat is precies wat hier gebeurd is op 5 augustus 2010.

Archina Thang. Hanu Thang. Hanu Yogma. Ledo. Dumkhar. Zo heten een aantal van de plekken waar de stenen zich herschikten op die vijfde augustus. Het zijn gemeenschappen waar een spoor door getrokken is toen helling bedding werd en boven beneden. We komen binnenrijden en parkeren vrachtwagen en auto op dorpspleintjes. Mensen verzamelen zich. Het dorpshoofd komt erbij. In één dorp staan we midden op het spoor van verwoesting geparkeerd; iedereen is met bouwmaterialen aan het slepen, kleine jongens, meisjes van dertien, oude mannetjes en vrouwtjes. Razak, Govinda en ik laden af: 22 van alles hier, 20 van alles daar, en 94 van alles in het dorp waar iedereen zo in de weer is met de wederopbouw. Alles wordt geteld, gestapeld, afgetekend op lijsten. Dan is het klaar en, na veel handenschudden en Juley’s, vertrekken we weer, iedereen achterlatend met een teken van solidariteit uit Nederland.

Zal ik in mineur eindigen en zeggen dat Virender Prakash, buiten Ladakh, in eigen land niet veel begrip, krediet of waardering krijgt voor wat hij heeft ondernomen? Nee, laat ik tenslotte zeggen dat hij in India, wij in Nederland, en de mensen van Ladakh met elkaar verbonden zijn door een Himalayagevoel. De stoere, soms snoezige en af en toe wrede Himalaya waar we zoveel van hebben ontvangen en nu iets aan hebben teruggegeven. Net als die vrouw met haar kind zijn 250 andere mensen die dag naar huis gelopen met voedsel, een pan en een deken. Gesteund en gesterkt. Door jullie. Door ons.